Mijn Kamer
‘n kast afgezaagd en beplakt,
aan de muur ‘n foto van vader,
en ‘n scherm, scheef, uitgezakt.
‘n sticker, rood met niet roken
met daarnaast ‘n citer besnaard,
tegenover, dragers met dozen vol beelden,
n jaren verleden vergaard.
‘n oude zachtleren zetel,
vult de ruimte nadrukkelijk aan,
in die zetel sluit ik mijn ogen,

daar laat ik mijn droombeelden gaan.
M’n kamer wordt groot, zonder muren,
de stoel is ‘n vogel, ‘n boot,
ik hoor weer de stem van vader,
geen grens tussen leven en dood.
In ben in ‘n wereld, de mijne,
waarin ik de citer bespeel,
de beelden verlaten de dozen,
en vullen de ruimte geheel.
De beelden vanuit het verleden,
vermengen zich met mijn fantasie,
ik zie bekende, ook vreemde gezichten,
vraag niet waarom of naar wie.
M’n kamer dat is mijn eiland,
veel meer dan ‘n ander er ziet,
geeft veel meer als rust en stilte,
maar alles vertalen kan niet.